Hoe langer ik er over nadenk, hoe zekerder ik ben.
Het regende die dag.
De gemeente Groningen had het snode plan bedacht een methadonpost in te richten aan de A-weg, naast het gebouw van de verslavingszorg.
De buurt liep al weken te hoop.
De stadsbuurt zag zo’n plan helemaal niet zitten, de Schildersbuurt wilde geen junkies, geen aanverwante overlast.
Op die regendag werd er door de boze bewoners geprotesteerd tegen de verslavingswethouder van het CDA, diezelfde wethouder die later de landelijk voorzitter van het CNV zou worden en misschien straks nog wel eens een minister zal zijn.
Ik was toen (1996?) stadsverslaggever van Nieuwsblad van het Noorden en fietste daarom, gewapend met pen en opschrijfboekje, van het Zuiderdiep richting A-weg.
Ja, zeker weten dat het een vrijdagmiddag was.
Het was vast ook een laatste klus, daarna wachtte de journalistenkroeg in de Gelkingestraat, vol praat.
Ik trof daar aan de A-weg een groepje buurtbewoners met onhandige spandoeken, met natte A-viertjes vol tegenargumenten en onbegrip, een verongelijkte woordvoerster die later ook nog furore zou maken en zo nu en dan een surveillerende politie-auto.
Ik sloeg het burgerverzet van een afstandje gade.
In een portiek zag ik, wat afgezonderd van de rest, een schim, hij hoorde duidelijk niet bij het buurtprotest.
Na een uurtje ging iedereen over tot de orde van de dag, onbekommerd het weekeinde in. Binnen noteerde ik een eerste reactie van de belegerde directrice van de verslavingszorg.
Weet nog dat de directrice knalrode pumps met naaldhakken droeg.
Terwijl zij vertelde over het nimby-syndroom, ging de telefoon. Ik mocht meeluisteren. ‘t Was de burgemeester van de stad. Hij informeerde of alles veilig was.
Toen wel.
Ja meneer Ouwekerk, het is hier best veilig.
Klus geklaard, stadsverslaggever wil terugfietsen naar het Zuiderdiep. Ineens duikt daar die schim op.
De schim zegt: ‘Hé.’
Zegt: ‘Ik ken jou.’
Ik zeg dat dat niet wederzijds is.
Hij zegt dat ik Rob ben, Rob van de krant.
‘Jij bent journalist.’
Ik zeg dat dat klopt.
Hij zegt: ‘Ik ben Hans, ik ben een junk.’
Ik geloof het direct, want niets aan Hans duidt op het tegendeel.
Hans zegt dat hij het niet eens is met de demonstrerende buurtbewoners, en al helemaal niet met hun tegenargumenten. Omdat het helemaal niet waar is dat junkies per definitie overlast willen veroorzaken. Maar, zegt hij, onze kant van het verhaal staat nooit in de krant.
Ik besluit dat mijn café in de Gelkingestraat nog maar even moet wachten, en dat de visie van Hans het verhaal moet worden dat zaterdag in de krant moet staan.
Een ander geluid.
Ik zeg: ‘Zullen we een biertje drinken?’
Dat vindt Hans een goed idee. Grote Griet, stelt hij voor. Daar mag hij nog wel naar binnen. Samen lopen we van de A-weg richting Brugstraat, Vismarkt, Grote Markt.
Hans – heroïne, cocaïne, methadon en medicijnen – vertelt dat hij mensen berooft, laatst nog bij de ABN Amro-pin. Doet hij meestal met een mes. Niet dat hij ooit iemand iets aan zal doen, echt zal steken of zo. Never! Dat hij zich iedere keer weer vreselijk kloten voelt, nadat hij die lelijke dingen doet. Maar ook dat hij het net zo makkelijk weer zal doen. Om dat te doen, om te roven, om het te durven zegt hij, heb ik eerst wel drugs nodig. Helder gaat het niet. Vicieuze cirkel. Nee, fijn is dat niet.’
Ik vraag: ‘Hoe weet jij eigenlijk dat ik bij de krant werk.’
Hans zegt: ‘Wij hebben samen op school gezeten, jij en ik, in Delfzijl. Op de Kampanje. Engelage, Wijnstok, Borst, Van Delden en Bleeker van scheikunde, dat waren onze leraren.’
Ik: ‘Verrek. Hans.’
Hans zegt: ‘Zo maf kan het gaan. De een gaat de ene kant op in het leven, de ander de andere.’
Zegt: ‘Maar ooit waren we gelijk.’
Zegt dat het mooi is dat de mijne de andere kant is opgegaan, dat hij ook blij voor me is. ‘Als ik een stukje van je lees is de krant, dan denk ik, net zo goed had ik dat geschreven.’
Ik: ‘En was ik, net andersom, de junk geweest.’
Hij: ‘Precies.’
Hans staat er op dat hij de rekening betaalt.
Hij heeft even geld zat en laat een stapel biljetten zien.
Roofgeld.
Ik zeg: ‘Laten we contact houden.’
Hans glimlacht.
Zegt: ‘Niet doen, Rob. Ik ben niet te vertrouwen.’
Ik: ‘Jij zou mij ook beroven.’
Hij staat op, vertrekt. Zegt nog: ‘Maak er maar een mooi verhaal van, beetje positief.’
Ik kijk hem na als hij als een schim verdwijnt in de glinsterende vrijdagavondregen van de Grote Markt.
Vandaag – zaterdag, jaren later, is er de reünie van De Kampanje, in de haven van Delfzijl.
Misschien is Hans inmiddels dood.
Maar als hij er is, betaal ik het bier.
Rob Zijlstra
update – 7 september 2009
Hans was er niet.

